Terugblik webinar klimaatverandering

Klimaat-robuust worden is een hot topic. Maar liefst 170 deelnemers namen 9 december deel aan het webinar over klimaatverandering. Zij kregen tips en kennis aangereikt over hoe akkerbouwers en melkveehouders kunnen inspelen op klimaatverandering. Pieter Struyk van het Louis Bolk Instituut vertelde over welke maatregelen agrariërs kunnen nemen om perioden van hitte, droogte of hevige regenval op te vangen. Dat u dit een interessant onderwerp vindt, bleek ook uit de hoeveelheid vragen die via de chat werden gesteld. Niet alles kon binnen de beschikbare webinar-tijd beantwoord worden. Daarom heeft Pieter Struyk onderstaand de vragen beantwoord.

Kijk het webinar terug en lees de gestelde vragen en antwoorden.

Vragen en antwoorden

1. Is er verschil tussen NKG en ploegen m.b.t. wormen?

“Jazeker, tijdens het webinar vertelde ik dat bij ploegen worden alle gewasresten/groenbemester onder in de bouwvoor gelegd. Hierdoor is er geen voedsel meer beschikbaar voor de strooiselbewoners en de pendelaars. Daarbij zijn voornamelijk pendelaars erg gevoelig voor bodemverstoring. Ook worden pendelaars erg oud, maar daarentegen planten ze zich zeer langzaam voort. Met andere woorden: je moet zuinig zijn op je populatie. Strooiselbewoners kunnen zich snel voortplanten en zullen dan ook sneller terugkomen na een kerende bodembewerking. Daarbij wordt een ploegzool niet gevormd bij een NKG bewerking of bovenover ondiep ploegen.”

2. Hoe verhouden ecologische groepen regenwormen zich op blijvend grasland op veengrond?

“Op veengrond komen nagenoeg geen pendelaars voor. Pendelaars maken diepe gangen en die stoppen altijd bij de hoogste grondwaterstand. En ja, die is op veengrond over het algemeen erg hoog. De verhouding tussen strooiselbewoners en bodembewoners is afhankelijk van de bemesting. Bij het gebruik van drijfmest zal de verhouding liggen op 2/3 bodem- 1/3 strooiselbewoners.”

3. Is bevloeien met oppervlaktewater schadelijk voor de grond op grasland?

“Nee, dit is niet perse schadelijk voor de grond. Echter, let wel dat het oppervlaktewater van goede kwaliteit is. Dus zit er bijvoorbeeld een fabriek stroomopwaarts en loost deze zijn koelwater, dan kunnen er residuen achterblijven welke je dan op het land brengt.”

4. Wat is de waterinfiltratiesnelheid van bouwland?

“De waterinfiltratie op bouwland is over het algemeen nog wat minder goed dan dat van jong grasland. Dit komt deels door de jaarlijkse grondbewerking, een eventuele ploegzool, weinig tot geen pendelende regenwormen, relatief slechte bodemstructuur met veel scherpblokkige elementen.”

5. Grotere bouwvoor door dieper ploegen?

“Ja en nee, op kleigrond is je bouwvoor al voldoende diep. Daar kunnen wortels met gemak tot 80cm diep wortelen (afhankelijk van de hoogste grondwaterstand en eventueel storende lagen). Op zandgrond is de bouwvoor vaak beperkt en in het verleden gecreëerd door de mens door middel van het opbrengen van plaggen en vaste mest. In een proef hebben we op 3 dieptes gespit (30, 50, 80cm) zodat de teeltlaag met de ondergrond is gemengd. Dit heeft voeding (org. stof) dieper gebracht. Dit maakt dat de graswortels ook in de diepere lagen “iets te zoeken” heeft, bijkomende voordeel is dat er zo meer vocht beschikbaar is voor het gewas. We hebben bij 80cm spitten in het eerste jaar ruim een ton DS meer opbrengst gehad. Het betekent wel dat je de bovenste laag zeer verschraalt (je hebt organische stof namelijk naar beneden gebracht) en dat je daardoor dus ook goed tijdelijk minder opbrengst zal realiseren. Belangrijk is wel om er gras op te telen, dit is een zeer goede bron van organische stof aanvoer, veel belangrijker dan bemesting. Zo breng je het organisch stof gehalte in de bovenlaag  snel weer op peil.”

6. Zijn die rassen even oud? Waren de monsters van hetzelfde perceel?

“Het waren beide rassen (van de totaal 50 rassen) die in een proef lagen voor een mogelijk plekje op de rassenlijst. De rassen zijn getest in 2006-2010. Hebben dezelfde bemesting gehad van drijfmest en kunstmest. In 2010 is van deze rassen (na 5 groeiseizoenen) de wortelmassa bepaald per diepte. Er zaten geen significante verschillen in grasopbrengst tussen de twee rassen.”

7. Maak je de beworteling van gras ook “lui” als je bij droogte beregent?

“Jazeker, als je gras vaak beregent met relatief kleine giften en daarbij ook nog regelmatig kunstmest geeft, zal het gras weldegelijk lui worden. Je krijg dan alleen in de bovenste 10cm wortels en daaronder bijna geen. Dit maakt ook dat je het teeltjaar dus niet optimaal benut, de bodemstructuur achteruit gaat, er weinig bodemleven is én dat je gras nog droogte gevoeliger wordt waardoor je nog meer/vaker gaat beregenen. Het kan zijn dat de koeien zelfs de graszode lostrekken bij beweiding. Op de foto een perceel grasland, dat duidelijk lui was. Alleen wortels in de bovenste 10cm, daar zie je een kruimelstructuur, koeien trokken zode los.”

8. Hoe gaan wormen om met kunstmestconcentraat wat aangebracht wordt met spaakwielbemester?

“Dit is nog nooit onderzocht, dus hebben we geen antwoord op en doen dus ook geen uitspraak.”

9. Wat voor soort en wanneer kun je het beste kunstmest strooien in een droge zomer (op grasland)?

“Als het droog weer is (geen regen of ochtenddauw) heeft het in geen enkele manier/vorm zin om kunstmest te geven. Het moet namelijk opgelost worden in het bodemvocht en met het vocht mee de plant in worden getransporteerd. Dus geen vocht, geen oplossing geen opname. Gewoon wachten met strooien tot er weer vocht beschikbaar is.”

10. Maakt het niet uit of je tijdelijk of permanent bouwland hebt?

“Ja en nee, de bodemstructuur op tijdelijk (max 3 jaar) bouwland en continu bouwland is zeer vergelijkbaar, hetzelfde voor de aantallen regenwormen. Dit heeft dus ook direct verband met waterinfiltratie, organische stof opbouw, etc. Want het grote voordeel zit hem erin dat wanneer je continu bouwland omvormt tot tijdelijk grasklaver en een jong stuk grasland omvormt tot bouwland en dit dan om de 3 jaar laten wisselen. Op die manier is er een milieuwinst te behalen maar zeker ook een financiële winst op bedrijfsniveau.” Lees meer in de volgende twee artikelen:

11. Wat is het verschil wanneer je van de mais alleen de kolf oogst?

Er is een groot verschil in de hoeveelheid gewasresten die je achterlaat op het land. Dit wordt uitgedrukt in kg effectieve organische stof, ofwel hoeveel organische stof kan je een jaar later nog terugvinden. Voor snijmais is dit 675kg eff org per ha. Voor korrelmais is dit 2175kg eff org stof per ha. Beide exclusief groenbemester om puur het effect van het gewas te zien. Kijk nog maar eens naar deze som en vervang dan de snijmais door korrelmais/CCM/MKS bij de post “aanvoer gewasresten”.

In het Handboek Bodem Bemesting kun je ook nog van meer gewassen/groenbemesters de EOS (effectieve organische stof) per ha zien.

12. U geeft aan dat op bouwland met groenbemester en aanvoer van mest dat je organische stof daalt. Dan klopt de mestwetgeving toch niet dat stelt dat ons land niet verschraalt?

“Zoals ik tijdens het webinar vertelde, is dit een theoretische berekening waar vanuit gaat dat er 2% van de OS in de bodem jaarlijks verdwijnt. Echter kan dit natuurlijk verschillen per perceel en grondsoort. Het negatieve verschil van -655kg kan je op een bodemanalyse net terugvinden. Eurofins heeft geregeld het gemiddelde OS% van NL in de tijd uitgezet. En nee en is nog steeds geen daling zichtbaar. Ik zeg bewust zichtbaar, want het is nog steeds niet te exact te meten en bovendien is het een gemiddelde. Binnen bepaalde regio’s is wel degelijk een afname, hier speelt ook grondgebruik (bouw/grasland) een grote rol.”

13. Welke gewasresten (EOS) voer je aan op blijvend grasland? Het meeste haal je eraf (kuil, hooi).

“De belangrijkste gewasresten die de OS% van de bodem verhogen op (blijvend)grasland is de beworteling. Jaarlijks sterft een deel van de wortels af en worden dan vervangen voor nieuwe. De afstervende wortels zijn daarbij de belangrijkste bron van os aanvoer op grasland, dit kan tot wel 16 ton droge stof, organische stof per jaar zijn per ha.”

14. We doen veel om de structuur te verbeteren, na tarwe een goed geslaagde diepwortelende groenbemester. In de aardappelteelt hierna nu meerdere jaren op deze mooie voorvrucht de meeste last van verklitting van de bovenlaag door wormen. Op voorvrucht uien geen problemen. Hoe kan dit en vooral hoe los ik dit op?

“Verkitting is een probleem in de bovenlaag, veel organische mest/groenbemester levert (te) veel wormen. Mijn indruk is dat drijfmest voor aardappelteelt het probleem in de hand werkt. Maar ook zonder drijfmest zie ik nog wel problemen, soms ook in uien. Jaren geleden gebruikten akkerbouwers ongebluste kalk om problemen te verhelpen. Mijn advies: beperkt voorjaar gift met organische (drijf)mest en kijk of kalk overmatige wormen kan beperken.”