De gouden regels van het bemesten

Een grote groep melkveehouders en akkerbouwers volgden 18 januari het derde webinar in een reeks van vier. Thema van dit webinar was bemesting. Met het bemestingseizoen voor de deur lieten maar liefst 270 akkerbouwers en melkveehouders zich bijpraten over de gouden regels van het bemesten. Wim Bussink van het NMI vertelde over samenstelling en tijdstip van bemesting in het voorjaar, over hoe de boer kan omgaan met perceelsverschillen en mestverdeling, over groeitrappen bij weidegang, over nutriënten-interacties en hoe drijf- en kunstmest beter verdeeld kunnen worden.

Tijdens het webinar werden veel vragen gesteld. Een groot aantal kon Wim Bussink al direct beantwoorden. Vragen die tijdens het webinar niet aan bod zijn gekomen, heeft hij alsnog beantwoord en leest u onderstaand.

Kijk het webinar terug en lees de gestelde vragen en antwoorden.

Vragen en antwoorden

1. Hoe zit met uitspoeling als je vroeg mest toedient?

Mest bevat organische stikstof en ammoniumstikstof. Ammoniumstikstof wordt bij lage temperaturen zoals in het vroege voorjaar slechts langzaam omgezet naar nitraat. Het risico op uitspoeling is dan ook beperkt (maar niet nul). Het toevoegen van een nitrificatieremmer kan in een nat voorjaar positief uitpakken.

2. Ik zie in het webinar dat jullie gegevens uit 2002 gebruiken. Zijn die cijfers in 2021 nog actueel?

De opbrengstresultaten zullen nog wel kloppen. De omrekening naar euro’s mogelijk niet. Na 2002 zijn er nog wel enkele nieuwe meststoffen bij gekomen. Na 2002 is het niet meer gelukt om budget te verwerven voor een grote vergelijkende proef.

3. Werkt een latere mestgift ook deels voor een latere snede?

Ja, dat klopt. Met vroege mest geef je ook P en K. Afhankelijk van je situatie -bijvoorbeeld droogtegevoelige grond- streef je naar een vroege toediening, omdat er tot en met maart vaak een neerslagoverschot is (dus nooit een vochttekort) en je dan optimaal kunt profiteren van een vroege start. Op bemestingsadvies.nl is weergegeven hoe de N-werking over de sneden is.

4. 180 kg kali is het nieuwe advies op maisland. Hoeveel kg geef je dan gemiddeld bij 40 ton rundveemest?

Bij 5,5 kg K2O per m3 mest geef je dus 220 kg K2O/ha. Een mestanalyse geeft aan wat de samenstelling precies is van je mest. Bij een lage toestand is het 10 kg K2O per ton droge stof. Bij hogere toestanden zie hieronder.

5. Wat is beter: vloeibaar of korrel kunstmest i.v.m. verzuring?

Dat staat helemaal los van elkaar. De verzuring wordt bepaald door het type meststof. Ammoniumhoudende meststoffen zoals zwavelzure ammoniak, ureum of NTS verzuren sterker dan bijvoorbeeld KAS. Uit het grondonderzoek eens in de 4 jaar blijkt hoeveel bekalking er nodig is.

6. Mooi N, P, K verhaal. Waar zijn de sporenelementen die minstens zo belangrijk zijn en efficiëntie van N nog vergroten ook?

Bij bemesting moet je zorgen dat alles op orde is, dus ook de spoorelementen. Op het grondonderzoeksformulier wordt duidelijk in hoeverre aanvulling nodig. Indien de basismeststof dierlijke mest is, is vaak nog maar weinig aanvulling nodig. Afhankelijk van de teelt kan er extra aandacht nodig zijn voor Mangaan of Borium (vergeet dan niet de dierlijke mest in te rekenen). De beschikbaarheid van mangaan is sterk pH gerelateerd. Zie verder Handboek bodem en bemesting.

7. Bij luzerne wordt meer fosfaat uit de bodem gehaald dan er gestrooid mag worden. De bodemvoorraad gaat dus achteruit. Hoe lang houden we dit vol?

De bodemvoorraad bedraagt vaak tussen de 5000-10000 kg per ha. Dus als luzerne wat meer fosfaat onttrekt dan er bemest wordt, leidt dat zeker niet tot problemen (bovendien wordt het gewas niet permanent geteeld, maar voor een periode van een paar jaar). Belangrijker dan de voorraad is uiteindelijk de beschikbaarheid. Indien uit het 4-jarige grondonderzoek blijkt dat de toestand wat gedaald is, zal dat veelal leiden tot een wat hoger bemestingsadvies (indien de toestand een klasse zou dalen).

8. Waarom geven soms grondanalyses een heel lage Ca-beschikbaarheid aan terwijl de pH goed is? Bij een hoge pH kan Ca geen probleem zijn toch?

Dat is niet geheel duidelijk. Als de pH op orde is, is de hoeveelheid Ca in de bodem eigenlijk nooit beperkend. Daarom hebben we ook geen bemestingsadvies voor calcium. Wel kan in gewassen met een matig ontwikkeld wortelstelsel (zoals aardappel) incidenteel een tekort voorkomen onder vooral droge omstandigheden. De oplossing moet dan gezocht worden in een goede vochtvoorziening. Bladbemesting is niet effectief. Als u toch overweegt om te bemesten, dan zou dat vooraf moeten gebeuren met daarbij plaatsing nabij de wortel. Calcium komt in meerdere stikstof- en fosfaatmeststoffen voor (o.a. in kalkammonsalpeter en tripelsuperfosfaat) en wordt via bemesting met deze meststoffen aangevoerd. Ook wordt het uiteraard aangevoerd door bekalking ter verhoging van de pH en verbetering van de structuur van de grond.

9. Hoe kijkt u aan tegen de nieuwe manier van normering om fosfaat aan te voeren (P-Al en PPAE)? Betekent dit dat op kleigrond minder fosfaat aangevoerd kan worden en zodoende minder organische mest aangevoerd kan worden waardoor minder bodemvruchtbaarheid? Dit in tegenstelling tot beleid om beter op de bodem te letten.

1) Bij de fosfaatvoorziening is de directe beschikbaarheid en de nalevercapaciteit (de voorraad) van belang. Met 1 kengetal kun je niet beide beschrijven. Dat is al heel lang bekend. Vroeger heeft men toch gekozen voor 1 parameter vanwege de kosten. Met moderne analysetechnieken en toegenomen kennis is het nu wel mogelijk om op basis van de 2 kengetallen te werken. De kennis daarvoor is ontwikkeld tussen 2005 en 2010 en later bevestigd in veldproeven. Voor de bemestingsadvisering op gras- en maisland wordt nu 5-10 jaar gebruik gemaakt van deze methodiek. Sinds kort is dat ook de methodiek voor akkerbouw.
2) De fosfaatbemestingsadvisering is er op gericht om gewas optimaal van fosfaat te voorzien en niet meer fosfaat te geven dan nodig. Meer fosfaat geven dan het gewas nodig heeft, betekent verder opsoeperen van een schaarse grondstof en verhoogt het risico van fosfaatuit- en afspoeling naar grond- en oppervlaktewater. De gebruiksnormen zijn in het algemeen duidelijk hoger dan de bemestingsadviezen voor fosfaat. Minder fosfaat aanvoer via mest betekent inderdaad minder organischestof aanvoer. De oplossing bij een eventueel tekort aan effectieve organische stof zal dan gezocht moeten worden in bijvoorbeeld aanvoer van rundveedrijfmest ipv varkensmest, aanvoer van compost en het verder finetunen van het bouwplan en de inzet van groenbemesters. De website http://www.os-balans.nl kan u daarbij helpen.

10. Niet alleen de hoeveelheid os is van belang, maar de kwaliteit ervan wel en die daalt toch?

De kwaliteit van os is zeker van belang. We hebben nu alleen nog geen goede betaalbare instrumenten om de kwaliteit te meten. Dat de kwaliteit van organische stof daalt, daarover zijn mij geen gegevens bekend.

11. Extra stimulans om organische stof aan te voeren d.m.v. mest wordt minder. Hoe ziet u dat?

Mest is de basis van de bemesting. Doel is om niet meer te geven dan een gewas nodig heeft. Is de hoeveelheid N niet toereikend, dan vul je die aan met kunstmest. Is de hoeveelheid organische stof niet toereikend, dan vul je die op een andere manier aan. Er zijn verschillende manieren om voldoende os aan te voeren. De oplossing bij een eventueel tekort aan effectieve organische stof zal dan gezocht moeten worden in bijvoorbeeld aanvoer van rundveedrijfmest ipv varkensmest, aanvoer van compost en het verder finetunen van het bouwplan en de inzet van groenbemesters. De website www.os-balans.nl kan u daarbij helpen.

12. Moeten we dan toch naar 70-20-10 experimenten zoals met de voederbieten (mits LNV eraan wil met de Regiodeals…)?

Daar is zeker wat voor te zeggen. Dat biedt meer mogelijkheden voor bijvoorbeeld de teelt van krachtvoer op het eigen bedrijf (vroeger was het 70-30).

13. Hoe kijkt u aan tegen bio-stimulanten die bijvoorbeeld de stikstofefficiëntie bevorderen? Met name de stikstof uit dierlijke mest.

Biostimulanten staan volop in de aandacht en zullen worden opgenomen in de toekomstige meststoffenwetgeving (zomer 2022). Er zijn veel producten op de markt. In het algemeen kan ik dit zeggen: vraag naar de onderbouwing waaruit blijkt dat de stikstofefficiëntie toeneemt. In mest zit minerale stikstof en organisch gebonden stikstof. Deze laatste is pas beschikbaar voor de plant na omzetting. Indien biostimulanten dit bevorderen, dan betekent dat in eerste instantie meer ammoniumstikstof in de mest (dat is ook eenvoudig te meten via een mestanalyse). Indien het ammoniumgehalte toeneemt, is de keerzijde dat ook de ammoniakemissie toeneemt. Verder is de natuur (het bodemleven) in het algemeen goed in staat om de stikstof maximaal uit te nutten. Van belang voor een goede stikstofefficiëntie van mest is een net werkresultaat (dus bij zodebemesting geen overlopende sleuven en netjes inwerken op bouwland).

14. Als je niet-kerende grondbewerking toepast, is de benutting van mest dan beter (minder uitspoeling)?

Ik verwacht van niet. Of er uitspoeling optreedt, wordt vooral bepaald hoeveel mest je toedient en wanneer en of een perceel groen blijft in de winter. Bij voorjaarstoepassing van mest is het risico op uitspoeling sowieso klein.

15. Mais- of aardappelteelt na gras kost 70 kg N bemesting (korting i.v.m. nawerking graszode). Wanneer het jaar erop weer gras wordt ingezaaid, krijg je dit niet terug. Ik heb zelf het idee dat de grond juist nu extra mest nodig heeft voor de wortelontwikkeling/begin van de groei. Dit houdt echter wel in dat ik inlever op de bemesting van andere percelen. Hoeveel vinden jullie het nodig om extra te bemesten na vooral aardappelteelt (aardappels trekken de grond namelijk behoorlijk leeg)?

Jazeker is er extra N nodig. Cumulatief over 3 jaar 75 kg N/ha. In de bemestingsadviesbasis zijn daar richtlijnen vooropgesteld rekening houdend met voorjaarsinzaai of najaarsinzaai.