Veelgestelde vragen over stikstofkringloop

Tijdens het webinar over ‘stikstofkringloop en bodemmanagement’ werden veel vragen gesteld. Vragen over o.a. bemesting, inwerken van stikstofkunstmest, P-beschikbaarheid, N-bodemoverschot, blijvend grasland, toekomst van fossiele kunstmest.

Onze experts aan tafel waren Everhard van Essen en Geert-Jan van de Burgt. In dit artikel beantwoorden zij de veelgestelde vragen over stikstofkringloop en delen we enkele slimme tips om te besparen op kunstmest.

  1. Risico is er altijd
  2. Tijd: vroeg in het voorjaar of zelfs in het najaar / winter. Alleen op veen- of kleigrond mag vaste mest uitgereden worden van 1 december tot 15 september (zie ook https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/mest/gebruiken-en-uitrijden/wanneer-mest-uitrijden)
  3. Opbrengen voor een weidegang, niet voor een maaisnede (met nadeel van iets minder smakelijk gras?)
  4. Hopen op of werken aan een gezond en actief bodemleven: dat moet voor de verering en het inwerken in de grond zorgen
  5. Structuur van de mest, afstelling mestverspreider: Rijper / ouder betekent meestal ‘kortere’ mest die beter verspreidt. Niet te droog, dat geeft kluiten die bij het verspreiden niet stuk gaan. Kort stro als basis voor de mest.
Een gangbare techniek is dat er vloeibare kunstmest met spaakwielbemesters wordt geïnjecteerd. Andere praktische vormen zijn er vrijwel niet, behalve dat bij aardappelen poten ook wel eens kunstmest in de rug wordt gebracht. Dat zijn allebei minimale grondbewerkingen als dat bijvoorbeeld wordt vergeleken met gangbaar ploegen. Bij minimale grondbewerking vinden ook grondbewerkingen plaats. Denk aan zaaien van gewassen, aardappelen poten, groenbemesters onderwerken, e.d. Dit type bewerkingen kunnen ook gecombineerd worden (zie antwoord op vraag 3).

In grasland is het vooral belangrijk om zo min mogelijk te scheuren, omdat dan veel stikstof vrijkomt (en organische stof verbrand) en als nitraat uitspoelt. En dus niet ten goed komt van een gewas.

  1. Stikstof kunstmest kan best een aantal dagen voorafgaand aan zaai opgebracht worden en met de zaaibedbereiding ingewerkt (of tegelijkertijd als dat technisch mogelijk is). Risico op stikstofverlies door uitspoeling of denitrificatie is minimaal vergeleken met risico van vervluchtiging door oppervlakkige toediening.
  2. Kunstmest met voornamelijk nitraat is laag-gevoelig voor denitrificatie na opbrengen, dus inwerken is minder belangrijk. Kunstmest op basis van ammonium is wel gevoeliger voor , en ureum nog meer. Veelgebruikte KAS is een mengvorm van nitraat en ammonium, dus inwerken heeft wel zin.
  3. Neerslag vermindert de vervluchtiging aanzienlijk, dus oppervlakkig strooien voorafgaand aan neerslag vermindert de vervluchtiging ook (t.o.v. droogte na toediening)
  4. Direct meeplaatsen in de rij is prachtig maar duurder. Zowel voordeel wat betreft reductie vervluchtiging als plaatsing in of bij de plantrij.
  5. Een aparte werkgang alleen om oppervlakkig opgebrachte kunstmest in te werken is af te raden: kosten en moeite wegen niet op tegen de mogelijke baten.
  6. Combinatie van mechanische onkruidbestrijding en korrels inwerken kan natuurlijk weer wel.
Dit is een belangrijk aandachtspunt. Binnen praktijkonderzoeken is hier ook aandacht voor, mede op basis van signalen uit de praktijk.

Binnen de melkveehouderij vindt er binnen “Koeien met Kansen” de zogenaamde BES pilot plaats. Hier wordt ook gekeken naar het omruilen van dierlijke mest tegen kunstmest, en er wordt rekening gehouden met de opbrengst van het land voor de mestplaatsing.

Voor akkerbouw gewassen is het binnen de huidige wet en regelgeving al mogelijk om extra te bemesten bij extra hoge opbrengsten voor een aantal gewassen (stikstofdifferentiatie of equivalente maatregelen),of bijvoorbeeld na extreme regenval. Hierover, en over de exacte voorwaarden, is op de volgende site meer informatie te vinden: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/mest/gebruiken-en-uitrijden/hoeveel-stikstof-landbouwgrond

  1. Vanuit plantbeschikbaar fosfaat bezien is N-benutting inderdaad een thema. Als P een belemmering vorm voor de groei kan de op volle groei gebaseerde N-gift niet volledig benut worden. Waar die grens ligt is echter sterk situationeel afhankelijk, ook al wordt het uitgedrukt in één getal voor heel Nederland. Méér stikstof toedienen omdat het ‘vorig jaar niet zo wilde groeien’ is het paard achter de wagen spannen.
  2. P-beschikbaarheid in aan praktijkperceel heeft, los van de meting, een sterke relatie met beworteling en dus met structuur en ontwatering. Bij een goede ontwatering en een goede structuur hebben de wortels veel meer mogelijkheid om naar de beschikbare fosfaat toe te groeien. M.a.w. bij een grond in een goede conditie zal de lage fosfaattoestand minder snel beperkend zijn, en meer stikstof opgenomen worden.
  3. Een rotatie met veel aanvoer van organische stof kan de P-beschikbaarheid licht verbeteren, ook al is de P-meting van beschikbaarheid nog laag.
Ik ben niet voor of tegen. Ik zie bij beide systemen voor- en nadelen. Het moet in eerste instantie vooral passen bij het type bedrijfsvoering en de samenstelling van de mest. Wanneer een bedrijf instaat is om “dikkere mest / geurloze mest” te produceren met een hogere C/N verhouding en meer ammoniak bind in de mest (TAN gehaltes), kan mest uitrijden waarbij minder ammoniak verloren gaat bij of na het uitrijden van de mest. Vaak zijn dit extensievere melkveehouderij bedrijven met de volgende kenmerken:
  • Eiwitarm voeren (weinig krachtvoer, veel gras)
  • Extensievere bedrijfsvoering
  • Lage kunstmestgiften
  • Weiden
  • Goede mest maken (o.a. toevoegmiddelen, anders voeren)
  • Duurzaam bodembeheer
  • Geen of weinig graslandverbetering.

De voorwaarden om bovengronds mest uit te mogen rijden zijn te vinden op de website van RVO. Uit de voorwaarden valt onder andere af te leiden dat er geen sprake is van derogatie, en dus al een lagere mestgift.

Een andere veel genoemde voordeel van bovengronds uitrijden zou een beter bodemleven zijn, geen verstoring door mestinjectie. Er is hier helaas nog te weinig goed onderbouwd onderzoek naar gedaan. Vanuit deze boerenpraktijk kunnen we voor de hele sector ook veel leren. Met name mest produceren waarvan minder ammoniak vervluchtigd, heeft iedereen voordeel bij. De boer hoeft minder stikstof aan te voeren, en de naastliggende natuur buurman ontvangt minder.

Een voordeel van mest injecteren is dat er minder ammoniak vervluchtigt.

Bermmaaisel is vaak aan de schrale kant, met een hoge C/N verhouding. Dat heeft consequenties voor zowel het composteringsproces van compost of  fermentering van bokashi. Het proces zal wel op gang komen en verlopen, maar het product is dan minder aantrekkelijk. Indien de compost echt lang kan rijpen zal puur bermmaaisel wel een bruikbaar product opleveren (bodemverbeteraar, wat nutriënten, maar geen N-levering (op korte termijn). Bij het Bokashi proces, met of zonder toevoegingen) zal de fermentatie echt wel op gang komen maar het product zal een dusdanig hoge C/N hebben dat na toediening er een stikstof VRAAG zal ontstaan in plaats van stikstoflevering, bij toediening aan de bodem.

Antwoord: bij wat schraler bermmaaisel is toevoeging van drijfmest zinvol zodat het composteringsproces sneller gaat, en bij toediening aan de bodem minder stikstof vraagt. De C/N verhouding is dan beter.

Lucht in de grond pompen klinkt theoretisch en hoog technisch. Maar een goede bodemstructuur, of een goed poriënstelsel zorgt wel voor een betere beluchting van de bodem. Hiermee zijn de condities voor aeroob bodemleven ook beter. Naast een goede beluchting is het ook belangrijk dat er een divers aanbod van organisch materiaal is, om bodemleven te stimuleren (compost, groenbemesters, dierlijke mest, gewasresten). Daarnaast werken veel bacteriën en schimmels samen met planten. Kortom er is meer nodig om N bindende bacteriën te stimuleren of voeden.
Stikstof, akkerbouw: ik denk dat een klein beetje kunstmest-stikstof in de toekomst een rol zal blijven spelen in Nederland: om sommige akkerbouwgewassen een startgift (voorjaar) mee te geven of strategisch gedurende het seizoen (graan, vanwege eiwitgehalte). Ik denk dat relatief snelwerkende organische mestsoorten niet het goede antwoord bieden in deze situaties. Het ‘maken’ van ‘snelle N-mest’ uit organische reststromen zal ongetwijfeld mogelijk worden, maar goedkoop zal dat niet zijn Zeg maar organische kunstmest, wie weet ook toegestaan in de biologische landbouw. Of ‘groene’ kunstmest.

Stikstof, melkveehouderij: grasklaver is een uitstekend alternatief. Dat vraagt net wat meer vakmanschap in beheer, maar in combinatie met eigen (drijf)mest kan een prima productief systeem opgebouwd worden.

Fosfaat: maximale kringloop van reststromen uit de maatschappij. Grootste uitdaging daarbij zijn niet de industriële reststromen of de GFT stroom of de organische stof stroom uit natuurgebieden en bermen etc. De uitdaging zit in het riool. Dat is het grootste ‘lek’ in een mogelijke kringloop en vraagt een enorme maatschappelijk inspanning om het te dichten. In theorie kan de P-kringloop zo goed als gesloten worden.

Kalium, magnesium: grotendeels via reststromen, maar wateroplosbare nutriënten zijn niet volledig in kringloop te houden. Er is dus aanvulling nodig. Zeewier oogsten? ???

Calcium en zwavel: idem.

Sporenelementen: idem

Een goede vraag. Dit is zover bij mij bekend nog nooit eerder onderzocht. Sowieso zijn er meerdere factoren van invloed op nitraat uitspoeling. Die is onder grasland veelal het laagste ten opzichte van akkerbouwgewassen. Gemaaid gras zal eerst afgebroken moeten worden door bodemleven, in organisch materiaal (humus), maar ook opgenomen worden door het bodemleven zelf. Hoe snel dit omgezet wordt in nitraat, en of het stikstof aandeel kan overwinteren en beschikbaar wordt voor een volgend gewas is onbekend. In theorie kan er wel meer nitraat gaan uitspoelen, maar je bouwt ook het organisch stofgehalte op door gemaaid gras te laten liggen. Daarmee leg je het ook (tijdelijk) vast.
  1. Richting nul ja; echt naar nul: nee. Daar is stikstof te grillig voor, te gevoelig voor uitspoeling, denitrificatie, vervluchtiging.
  2. Kunstmest kan in grasland volledig vervangen worden door over te gaan op grasklaver, met de na- en voordelen die daaraan verbonden zijn
  3. Kijk niet alleen naar de kunstmest maar ook naar krachtvoer als aanvoerpost van stikstof. Vanuit melkproductie per koe bezien is krachtvoer inzetten slim, maar het verhoogt de druk op de N-stromen binnen het bedrijf (via de eigen mest), en dan vliegt stikstof makkelijk uit de bocht (ammoniakemissie, uitspoeling).
Dat klopt. Je ziet dan ook melkveebedrijven die intensiever gaan samenwerken met akkerbouw, en niet meer meedoen aan derogatie. Die kunnen dan ook veelal niet voldoen aan 80% blijvend grasland, of duurzaamheidseisen van de zuivel coöperatie.

Maar melkveehouderij kan wel goed samenwerken met akkerbouw en ook voldoen aan de 80% grasland eis middels grondruiling. Het advies is dan wel om op circa 40% van het areaal regelmatig te wisselen met mais of een akkerbouw gewas. Dit is voor het totale organisch stof gehalte, en uitspoeling van nitraat op bedrijfsniveau het gunstigst. Op 60% is dan sprake van (blijvend) grasland, waar organische stof zich goed kan opbouwen en het stikstofbindend vermogen van de grond toeneemt.

Voorkom in ieder geval zoveel mogelijk het scheuren van oude graslanden (als dat niet nodig is vanuit grasssenbestand oogpunt). Vaak komt er dan een bom aan nitraat vrij, waar de akkerbouwer vaak ook niet op zit te wachten. Als je grasland rouleert is het beter om dat regelmatig te doen, zodat de nitraat verliezen netto lager zijn op bedrijfsniveau.

  1. Het algemene antwoord is: niet te kort voorafgaand aan de volgteelt (zeg: 3 weken), want dan weet je zeker dat de mineralisatie van stikstof pas later in het seizoen substantieel bijdraagt, als de bodemtemperatuur en bodemvochtgehalte hoog zijn. Zelfs bij een lange teelt als suikerbiet zal dat wel bijdragen maar geen optimaal resultaat opleveren wat betreft N-benutting. Het risico op N-vastlegging tijdens de teelt van het volggewas in geval van een groenbemester met een hoge C/N is ook lager als er tijdig ingewerkt wordt.
  2. Op zandgronden is het risico van uitspoeling, als de mineralisatie op gang is gekomen, groter dan op zwaardere gronden, en op zandgronden kan de mineralisatie wat sneller verlopen. Op zand kun je dus iets later inwerken.
  3. Een vlinderbloemige groenbemester (of deels vlinderbloemige) levert sneller stikstof dan een niet-vlinderbloemige.
  4. Inwerken vóór de winter kan op kleigrond met minder risico op uitspoeling plaatsvinden dan op zandgrond.
  5. Inwerken van een vlinderbloemige groenbemester (of deels vlinderbloemige) vóór de winter is af te raden, zowel op klei als op zand: te snelle mineralisatie, te veel (potentieel) verlies.
  6. De manier van inwerken is ook belangrijk: kort gemaakt, niet diep wegleggen, niet inkuilen, voldoende bodemvocht, rijk bodemleven. Bij diepte inwerken rekening houden met mogelijke overdracht van (schimmel)ziekten vanuit gewasrest naar volgteelt.
  7. Als vuistregel voor het mineraliseren stikstof uit gescheurd grasland wordt 4-6 maanden gehanteerd.
Gewassen nemen N overwegend op in de vorm van nitraat (NO3-) of ammonium (NH4+). Gangbare meststoffen bevatten daarom één van deze of beide vormen of verbindingen als ureum die vrij snel worden omgezet in ammonium en vervolgens nitraat.

Nitraat is snel opneembaar door de plant maar mobiel en spoelt daardoor makkelijk uit. Onder natte omstandigheden is de N2O-emissie van nitraathoudende meststoffen door denitrificatie aanzienlijk hoger dan van ammonium-houdende of op ureum gebaseerde meststoffen.

Ammonium kan ook door de plant worden opgenomen maar wordt voor een groot deel eerst door micro-organismen in de bodem omgezet in de nitraat waardoor het trager werkt. Door de positieve lading wordt het goed geadsorbeerd door organische stof en kleideeltjes en spoelt het minder makkelijk uit. Wel is er een zeker risico van ammoniakvervluchtiging vooral op basische gronden.

Ureum moet in de bodem eerst omgezet worden in ammonium waarbij kans op vervluchtiging bestaat. Het spoelt moeilijk uit. Op ammonium en nitraat gebaseerde meststoffen, zoals AN en KAS, geven de hoogste N-benutting en N-opname en de laagste NH3-emissie, maar hebben onder natte omstandigheden de hoogste N2O-emissie en nitraatuitspoeling. Daarom is het raadzaam in het vroege voorjaar te kiezen voor meststoffen met een hoger ammonium aandeel. Bijkomend voordeel is dat vooral bij lagere temperaturen planten een voorkeur hebben voor N-opname in de vorm van ammonium. Bovendien stimuleert ammonium de opname van fosfaat.

2022-03-03T09:16:57+00:003 maart 2022|Geen onderdeel van een categorie|